De Eerste Wereldoorlog

© Ruud Vermeer 

 

 

 

Terug naar
Inhoudsopgave

Vragen bij dit hoofdstuk

 

Hoofdstuk 1: De Oorzaken

kaart van Europa in 1914

Vanaf het begin zijn de vijf belangrijkste Europese landen bij het conflict betrokken:

  • Frankrijk

  • Engeland

  • Duitsland

  • Rusland 

  • Oostenrijk-Hongarije

Later komen daar andere, ook niet-Europese, landen bij. De belangrijkste daarvan zijn:

  • Turkije (Het Osmaanse Rijk)

  • Japan

  • Italië 

  • Verenigde Staten

We noemen het een Wereldoorlog omdat er overal op de wereld werd gevochten. In Afrika (rond de Duitse koloniën) en in Azië (Midden-Oosten), maar ook op zee (Falkland-eilanden).

Om de oorzaken duidelijk op een rijtje te zetten moeten we eigenlijk voor de vijf belangrijkste landen de zaken eens op een rijtje zetten.

Frankrijk had een al meer dan veertig jaar durende ruzie met Duitsland. Dat kwam door de gevolgen van de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. In die oorlog was Frankrijk op een beschamende manier verslagen door de Duitse legers en had het bij de vrede een stuk van zijn grondgebied, Elzas-Lotharingen, moeten afstaan. Sinds die tijd waren veel Fransen druk met het voorbereiden van de 'Revanche', de wraak.

Voor 1870 was het een keizerrijk geweest, na die tijd was het een republiek. Er was veel onrust in het land, niet in het minst door allerlei schandalen in de politiek. Het bekendst werd de Dreyfus-affaire, waarbij een Joodse officier in het leger valselijk werd beschuldigd van landverraad. Zelfs toen duidelijk werd dat hij het niet gedaan kon hebben ging de legertop door hem te beschuldigen. Deze affaire werd zo belangrijk dat tenslotte heel Frankrijk was verdeeld in voor- en tegenstanders. Iedereen bemoeide zich ermee. Duidelijk was in ieder geval dat er in Frankrijk rond 1900 heel wat Jodenhaat bestond. Alfred Dreyfus
Alfred Dreyfus


De degradatie van Dreyfus

 

 

Engeland had in de negentiende eeuw een politiek van 'splendid isolation'. Men bemoeide zich niet met zaken op het Europese vasteland. Het land had de machtigste vloot en kon overal ter wereld ingrijpen. Het bezat overal ter wereld koloniën: India, Australië, Canada, Egypte (het Suez-kanaal) en Zuid-Afrika. Het had conflicten met Rusland over Perzië en Afghanistan en over de mogelijke Russische invloed in de Middellandse Zee. Het steunde Turkije en Japan in het tegenhouden van de Russische opmars.


Toch begon rond de eeuwwisseling het besef door te dringen dat de tijden veranderden. De Duitse macht was na de oorlog met Frankrijk alleen maar groter geworden. Duitsland eiste ook koloniën in Afrika. En om die eis kracht bij te zetten, begon men met het bouwen van een vloot. Voor het eerst sinds de Napoleontische oorlogen (rond 1800) werd de Britse macht ter zee uitgedaagd. Men begon een nieuw soort slagschepen, de Dreadnoughts (betekent letterlijk 'vrees niets') te bouwen. Het was de start voor een bewapeningswedloop, waar tenslotte alle Europese grootmachten aan meededen. 


Dreadnought

Rond 1900 was Groot-Brittanië verwikkeld in de zogenaamde Boerenoorlog, in Zuid-Afrika. Daar verzetten de van oorsprong Nederlandse boeren zich tegen de uitbreiding van de Engelse macht. Achteraf deden ze dat tevergeefs. Maar het drukte de Engelsen met de neus op het feit dat ze alleen in de wereld waren. De publieke opinie in alle landen keurde het Engelse optreden af. Het begon ook veel mensen in die tijd duidelijk te worden dat er een groot Europees conflict mogelijk was. Het was beter om dat geval bondgenoten te hebben. En zo sloot Engeland in 1904 een verbond met Frankrijk en kwamen er in 1907 afspraken met Rusland om de koloniale geschillen op te lossen.

 

 

Duitsland was aan het begin van de negentiende eeuw hoogstens een verzamelnaam voor allerlei grote en kleine staten in het westen begrensd door Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk, in het zuiden door Zwitserland en Oostenrijk-Hongarije (dat er voor een deel bijhoorde), in het oosten door Rusland en in het noorden door Denemarken. Men sprak dezelfde taal, had dezelfde cultuur, maar was het op politiek gebied vrijwel nergens over eens. In 1848 was er een poging geweest om van het land een eenheid te maken. Maar de belangrijkste landen, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, hadden tegengestelde belangen. Men aarzelde en de kans ging voorbij. Pas bij het optreden van een nieuwe Pruisische eerste minister veranderde dat. Otto von Bismarck werd geboren in 1815, het jaar dat Napoleon werd verslagen. 

Na een redelijk succesvolle carriëre als diplomaat, werd hij in 1862 benoemd als eerste minister. Zijn eerste doel bleek het bereiken van een eenheid in en van Duitsland onder Pruisische leiding. Daarvoor was een oorlog met Oostenrijk-Hongarije nodig, om dat land uit het Duitse rijk te gooien. Dat bereikte hij in 1866. In een zeer korte tijd was het Oostenrijkse leger verslagen door de Pruisen. Bismarck was echter zeer vriendelijk tegen de verslagen vijand, omdat hij besefte dat hij later Oostenrijk weer nodig had. De volgende vijand die verslagen moest worden was Frankrijk. Bismarck zorgde voor een anti-Franse stemming in het land. Daardoor kostte het hem geen moeite om ook de Duitsers die eerst tegen zijn plannen waren geweest, mee te krijgen. In 1871 werd de Pruisische koning gekroond tot keizer, nota bene in Versailles, waar de Franse koningen hadden gezeten. De Franse vernedering was zo compleet. Maar er was nu een nieuw Duits Rijk, onder leiding van Keizer Wilhelm I. In feite werd het echter geleid door Bismarck.
Otto von Bismarck

De rest van Bismarcks carriëre, tot 1890, bestond uit het bewaren van een machtsevenwicht. Hij wilde voorkomen dat Frankrijk bondgenoten kreeg op het Europese continent. Daarom sloot hij in 1879 een verbond met Oostenrijk-Hongarije. In 1881 kwam daar de Drie-keizersbond bij. Rusland, Oostenrijk-Hongarije en Duitsland sloten een soort vriendschapverdrag. Dat mocht een knappe prestatie genoemd worden, omdat Rusland en Oostenrijk-Hongarije al heel lang ruzie hadden over de Russische pogingen om meer invloed op de Balkan te krijgen, ten koste van Turkije. Ook in 1881 werd de Driebond opgericht, door Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië.

Na 1890 veranderde dat. Er kwam een nieuwe Duitse keizer, Wilhelm II, die niets moest hebben van de voorzichtigheid waarmee Bismarck opereerde. Het Duitse Rijk was in zijn ogen het machtigste land op het vasteland van Europa en moest dus ook de plaats hebben die het toekwam. Wat daarvoor nodig was, waren koloniën en een grote oorlogsvloot. Dat betekende een toenemende spanning met Engeland. Ook de verhouding met Rusland verslechterde. Het leek er veel op dat de Duitse politiek ertoe leidde dat de vijanden van het land in elkaars armen werden gedreven. Er leek niets anders op te zitten dan de banden met Oostenrijk-Hongarije aan te halen.
Wilhem II en Franz Josef

 

 

Rusland had in de negentiende eeuw zijn gebied vooral in oostelijke richting uitgebreid. Aan het begin van de twintigste eeuw stond het tegenover Japan dat Korea en delen van China had bezet. De Russische politiek slingerde als het ware heen en weer tussen twee uitersten. In het westen, in Europa, streefde men ernaar om een ijsvrije haven aan de Middellandse Zee te bemachtigen. Daarbij kwam dat men een soort nationalisme aanhing dat tot doel had om alle Slavische volken in Europa te verenigen onder Russisch leiderschap (het Pan-Slavisme). Het land dat dat doel in de eerste plaats in de weg stond, was het Turkse Rijk. In de negentiende eeuw voerde Rusland een aantal oorlogen tegen de Turken. Van 1853 tot 1856 was er de zogenaamde Krim-oorlog. Dat ging onder andere om het bezit van een schiereiland aan de Zwarte Zee. Daar werd ook al duidelijk dat de westerse mogendheden, Engeland en Frankrijk met name tegen een vergroting van Russische invloed aan de Middellandse Zee waren. In 1878 werd Rusland weer tegengehouden. In het jaar ervoor was er in Bulgarije een opstand uitgebroken tegen de Turken. Rusland hielp de Bulgaren en kreeg zo toegang tot de Middellandse Zee. Weer dreigde er oorlog. Onder leiding van Bismarck echter werd in 1878 het Congres van Berlijn georganiseerd. Rusland werd teruggedrongen van de Middellandse Zee. Oostenrijk-Hongarije mocht twee voormalig Turkse gebieden bezetten: Bosnië en Hertzogevina. Roemenië, Servië en Montenegro werden onafhankelijk. Engeland kreeg het eiland Cyprus.


Nicolaas II (Rusland) en George V (Engeland)

Na deze problemen verlegde men in Rusland de aandacht naar het oosten. Daar kreeg het dus te maken met Japan. In 1904 was er een oorlog die eindigde met een nederlaag voor de Russen. Voor het eerst bleek een niet-Europees land in staat een Europees land in een oorlog te verslaan.

De verloren oorlog zorgde voor een hoop binnenlandse onrust. Het volk wilde meer inspraak in de manier waarop het land geregeerd werd. Het was het minst democratische land van Europa. Het land werd geregeerd door de Tsaar, Nicolaas II, en zijn ministers. Men beloofde meer inspraak. Maar na verloop van tijd draaide men de beloftes weer terug. Toch bleek de opstand van 1904 een voorproefje van wat later zou komen. 


Tsaar Nicolaas II en familie

In Europa bleef men, ook na de nederlaag tegen Japan, geloof hechten aan het Russische leger als 'stoomwals'. Eenmaal op gang gekomen zou het alles voor zich verpletteren.

 

 

Oostenrijk-Hongarije hield na de Eerste Wereldoorlog op te bestaan. Het was voortgekomen uit het Habsburgse Rijk uit de zestiende eeuw. Nog steeds regeerden er Habsburgers over een gebied dat het huidige Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Kroatië en delen van Roemenië en Italië omvatte. In de achttiende eeuw had het een belangrijke rol gespeeld in de diverse coalitie-oorlogen. Daarna was het samen met Rusland de belangrijkste tegenstander van Napoleon geweest. Het was de Oostenrijkse staatsman Metternich geweest die het symbool werd van het herstel van de macht van koningen en adel van voor de Franse revolutie, de Restauratie.


Franz Joseph 

Toch was het daarna vooral intern verzwakt. Door het toenemende nationalisme in de negentiende eeuw wilden steeds meer volken zichzelf besturen. Door die interne strijd verloor het land zijn eenheid.

Het land wilde het grondgebied uitbreiden op de Balkan en vond daar dus Rusland op zijn weg. Het maakte dat de landen een soort erfvijanden van elkaar werden.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren er dus twee machtsblokken. Aan de ene kant is er de Entente (of geallieerden): Frankrijk, Engeland en Rusland, aan de andere kant stonden de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije).

 

De belangrijkste oorzaken voor de oorlog waren:

  1. De Franse revanche-gedachte (men wilde zich wreken voor de nederlaag in de Frans-Duitse oorlog en men wilde Elzas-Lotharingen terug);

  2. De Duitse vlootbouw (hoe groter de Duitse vloot werd hoe bedreigender deze werd voor de Engelsen);

  3. Het ongelijke aandeel van Duitsland in het bezit van koloniën (de Duitse eis om ook koloniën te mogen hebben was een bedreiging voor zowel Engeland als Frankrijk);

  4. Het toenemende nationalisme (dat wakkerde in elk land de strijdlust aan).

Andere belangrijke omstandigheden waren:

  • De bewapeningswedloop. Elk land was ondertussen tot de tanden toe gewapend. Men was als het ware 'klaar' voor de oorlog.

  • Er was een toenemend aantal 'incidenten'. In Noord-Afrika waar Duitsers en Fransen ruzie maakten om Agadir (Marokko) en op de Balkan. Het leek erop dat veel mensen opgelucht waren toen de oorlog 'eindelijk' uitbrak.

 


Bellerophon

 

 

Vragen bij dit hoofdstuk

Inhoudsopgave