De Eerste Wereldoorlog

een les voor de 2e fase van het VMBO

© Ruud Vermeer 

Johan de Wittcollege  Den Haag

 

Terug naar
Inhoudsopgave

Vragen bij dit hoofdstuk

 

 

Hoofdstuk 4: Het Westelijk Front tot 1917

aanvalsplannen westfront.jpg

Op 5 augustus begonnen de Duitsers hun aanval op de versterkte posities van het Belgische leger aan de Maas bij Luik. Op 20 augustus marcheerden ze al door Brussel en drong men door de Ardennen Noord-Frankrijk binnen. Daar kwam men, min of meer bij toeval, een Frans leger tegen. Met grote verliezen aan beide zijden werden de Fransen terug gedreven. Ook op andere fronten langs de grenzen leden de Franse legers nederlagen. De speerpunten van de Von Schlieffenaanval trokken door Noord-Frankrijk. Op 2 september werd Parijs geëvacueerd. De regering vertrok naar Bordeaux en enkele Duitse troepen konden in de verte het topje van de Eiffeltoren zien. Toen deden de Fransen, onder leiding van maarschalk Joffre, aan de Marne een tegenaanval. Van 6 tot 9 september werd daar 'de slag aan de Marne' uitgevochten. De slag had tot gevolg dat de Duitse aanval tot staan was gebracht. De Duitsers moesten zich terug trekken achter de rivier de Aisne.  
Joffre


Duitse soldaten onderweg naar Parijs

De legers groeven zich in en zo begon de 'Loopgravenoorlog'. Honderdduizenden soldaten stonden in vaak diep in de grond uitgegraven schuilplaatsen tegen over elkaar. Het werd een 'uitputtingsoorlog', waarbij dan weer de Engelsen en Fransen, dan weer de Duitsers enorme aanvallen deden om elkaar's linies te doorbreken. Tevergeefs.


soldaten in een loopgraaf

 

De laatste grote veldslag in 1914 was bij het West-Vlaamse plaatsje Ieper. Daar zou men tot in 1918 vechten om niet meer dan vijftien kilometer grondgebied.


Ieper 1917

In 1915 volgde meer van hetzelfde. De veldslagen werden uiteindelijk bekender om de enorme hoeveelheid slachtoffers dan om de terreinwinst die werd geboekt. In april deden de Duitsers opnieuw een aanval bij Ieper. Daarbij gebruikten ze voor het eerst gifgas. Uiteindelijk liep de slag rond 25 mei ten einde met 70.000 slachtoffers aan de kant van de Engelsen en Fransen en 100.000 aan de kant van de Duitsers. De laatsten hadden een kleine terreinwinst geboekt.


soldaten met gasmaskers

De Engelsen en Fransen deden in september pogingen om door de Duitse linies heen te komen. De Engelsen bij Loos, de Fransen in de Champagne. Het gevolg was uiteindelijk dat de Britten 60.000 man verloren, de Fransen 150.000 en de Duitsers 120.000. Het resultaat was vrijwel nihil.

De aanvallen gingen steeds vaker gepaard met enorme bombardementen. Voor de aanval in de Champagne bombardeerden 2500 Franse kanonnen drie dagen lang de Duitse stellingen. Het wapen dat echter voor de meeste slachtoffers leek te zorgen was de mitrailleur. Door de manier van aanvallen: grote massa's soldaten in één keer naar voren, was het voor de machinegeweerschutters eenvoudig prijsschieten.

Ook verschenen er voor het eerst vliegtuigen boven de soldaten. Eerst hadden ze alleen maar de taak om verkenningsvluchten uit te voeren, later kregen ze ook andere taken. In januari 1915 bombardeerde een Duitse zeppelin Londen.

1916 werd het jaar van twee van de grootste slachtingen uit de geschiedenis. In februari begon de slag om Verdun en in juni die aan de rivier de Somme. De eerste was het gevolg van de Duitse poging om het front te doorbreken, de tweede die van een Engelse poging.


Verdun


Somme

 

Verdun en de Somme werden symbolen voor de zinloosheid van deze oorlog. Van februari tot juli verloren de Fransen 460.000 soldaten, de Duitsers bijna 300.000. De Engelsen die bij de Somme de Duitse linies aanvielen verloren op de eerste dag van hun aanval 60.000 man. De mitrailleur was oppermachtig...

Als middel tegen de mitrailleur werd in september bij de zoveelste poging om bij de Somme door de Duitse linies heen te komen voor het eerst tanks ingezet.


Engelse tank

Engels kanon

Terug naar
Inhoudsopgave

Vragen bij dit hoofdstuk