![]() |
De Eerste Wereldoorlog |
||||
| ©
Ruud Vermeer
|
Hoofdstuk 9: Het westelijk front 1917-1918De eerste helft van 1917 werd gekenmerkt door grote geallieerde aanvallen met veel slachtoffers en weinig terreinwinst. Het Franse leger geraakte in een crisis. Grote groepen soldaten weigerden dienst en alleen door harde maatregelen, zoals het doodschieten van enkele 'oproerkraaiers', kon men de soldaten weer laten gehoorzamen. Er kwam een nieuwe Franse bevelhebber, Pétain.
In juni kwam er een gestage stroom op gang van Amerikaanse soldaten. Ze kwamen volgens velen net op tijd. Het Russische front was ineengestort en men was bezig om er een aparte vrede te sluiten. Dat maakte dat de Duitse legers in 1918 zeker nog een grote poging zouden wagen om de oorlog in het westen te winnen. De vraag was of er dan voldoende Amerikaanse soldaten zouden zijn om die aanval(len) mee op te vangen. Het was Ludendorff die de plannen maakte voor de definitieve aanval. Van maart tot en met juni deden de Duitsers verwoede pogingen om het front op verschillende plaatsen te doorbreken. Ondanks het feit dat ze op sommige plaatsen grote terreinwinst boekten, slaagden ze er niet in ergens een doorbraak te forceren.
Vanaf juli waren er voldoende Amerikaanse soldaten om te beginnen aan de tegenaanvallen. De Duitsers werden nu teruggedreven. Ze moesten steeds verder terugtrekken. Op 4 oktober verzochten Duitsland en Oostenrijk-Hongarije de Amerikaanse president Wilson om een wapenstilstand. Toch gingen de gevechten nog een maand door. Op 27 oktober werd Ludendorf gedwongen om als opperbevelhebber af te treden. Op 9 november werd de socialist Friedrich Ebert rijkskanselier en deed keizer Wilhelm II afstand van de troon. Hij vluchtte de dag erna naar Nederland. Tenslotte werd op 11 november 1918 de wapenstilstand gesloten. De Duitse ineenstorting was tenslotte veroorzaakt door vijf hoofdpunten:
|